Je hoeft niet eerst leeg te zijn voordat je mag stoppen
Ik heb lang gedacht dat ik pas mocht stoppen als ik echt niet meer kon.
Niet letterlijk misschien, maar zo leefde ik wel. Ik wilde een goede moeder zijn. Ik wilde dat het huishouden liep. Ik wilde mijn werk goed doen. Ik wilde alles zoveel mogelijk op orde houden. De kinderen, het huis, de afspraken, het eten, school, werk, berichten, familie, alles wat nog geregeld moest worden.
Alsof ik de hele dag met ballen in de lucht stond.
En zodra er eentje dreigde te vallen, ging ik nog harder mijn best doen. Dat is vermoeiend. Niet alleen omdat er veel moet, maar vooral omdat het nooit echt klaar is. De lijst houdt niet op. Als je eindelijk iets hebt gedaan, ligt het volgende alweer te wachten. En als de dag voorbij is, begint het de volgende dag gewoon opnieuw.
Ik ging vaak door tot het einde van mijn energie. Niet tot ik voelde: nu is het genoeg. Maar tot ik leeg was.
Tot mijn hoofd niet meer helder was. Tot mijn lichaam moe en zwaar voelde. Tot ik weinig meer kon hebben. Tot ik eigenlijk alleen nog maar functioneerde.
En dan begon de volgende dag weer opnieuw.
Dat is geen fijn gevoel.
Elke dag weer leeg zijn.
Elke dag opnieuw beginnen met een lichaam dat eigenlijk nog niet is bijgekomen. Elke dag proberen alles te dragen, terwijl je zelf al bijna niets meer over hebt.
Tijdens mijn herstel van mijn burn-out werd ik gedwongen om pauzes te nemen. Niet omdat ik dat zo goed kon. Niet omdat ik ineens heel bewust met rust omging. Maar omdat mijn lichaam simpelweg niet meer anders kon.
Ik moest stoppen. Vaker dan ik wilde. Veel vaker dan ik gewend was.
In het begin voelde dat niet natuurlijk. Eerder ongemakkelijk. Alsof ik te weinig deed. Alsof ik achterliep. Alsof ik pas waardevol was als ik weer iets oppakte, maar langzaam ging het beter.
Door die pauzes. Door minder te moeten. Door niet steeds over mijn lichaam heen te gaan. Door rust te nemen voordat ik helemaal leeg was.
En toen het beter ging, werden de pauzes vanzelf minder.
Dat voelde logisch. Alsof ik weer meer aankon. Alsof ik weer terug kon naar normaal. En ergens wilde ik dat ook. Gewoon weer kunnen meedraaien. Niet steeds hoeven nadenken over mijn energie. Niet steeds rekening hoeven houden met signalen.
Maar toen kwamen er toch weer klachten.
Niet in één keer groot.
Eerst subtiel.
Een beetje spanning. Een voller hoofd. Minder geduld. Sneller moe. Een gevoel van onrust in mijn lichaam. De neiging om weer door te duwen omdat het “nu eenmaal moest”.
En precies daar moest ik anders naar gaan leren kijken.
Ik moest niet alleen leren pauzeren wanneer mijn lichaam keihard aan de rem trok.
Ik moest leren voelen wat er eerder gebeurde.
De subtiele signalen.
Die kleine hints die ik jarenlang had genegeerd.
Want die signalen waren er vroeger ook al. Alleen nam ik ze niet serieus omdat ik zelf vond dat ik door moest. Dat het wel meeviel. Dat ik niet zo moeilijk moest doen. Dat ik eerst nog iets moest afmaken.
Maar je lichaam begint meestal niet meteen met schreeuwen.
Vaak fluistert het eerst.
Een zucht voordat je antwoord geeft.
Een gespannen buik.
Een hoofd dat vol raakt.
Schouders die omhoog kruipen.
Een kort lontje.
Het gevoel dat geluid harder binnenkomt.
Het idee dat alles ineens te veel is.
Dat zijn momenten waarop je eigenlijk al even mag stoppen.
Niet pas later.
Niet pas als alles af is.
Niet pas als je niets meer kunt.
Maar eerder.
En dat klinkt simpel, maar als je gewend bent om altijd door te gaan, voelt eerder stoppen bijna verkeerd.
Je hoofd gaat meteen praten.
Nog even dit.
Het moet toch af.
Straks heb ik tijd.
Anderen rekenen op me.
Ik kan nu niet stoppen.
Maar is dat altijd waar?
Of is het een oude regel die je blijft volgen, zelfs wanneer je lichaam al aangeeft dat het genoeg is?
Ik denk dat veel van ons hebben geleerd om pas te stoppen wanneer het echt niet meer gaat. Je gaat door zolang het lukt. En omdat het lukt, lijkt het alsof het kan.
Maar doorgaan tot je leeg bent is geen bewijs dat het goed gaat.
Het is vaak alleen bewijs dat je heel lang over jezelf heen kunt stappen.
En daar betaal je uiteindelijk een prijs voor.
Misschien herken je dat. Dat je pas gaat zitten als je nergens meer energie voor hebt. Dat je pas rust neemt als je lichaam al zwaar voelt. Dat je pas toegeeft dat het te veel is wanneer je boos wordt, huilt of compleet dichtklapt.
Maar je hoeft niet eerst leeg te zijn voordat je mag stoppen.
Je hoeft niet te wachten tot je lichaam harder gaat roepen.
Je mag eerder luisteren.
Bij het eerste signaal.
Bij de kleine vermoeidheid.
Bij de spanning.
Bij de onrust.
Bij dat gevoel dat zegt: ik heb even ruimte nodig.
Dat hoeft niet meteen een grote pauze te zijn. Soms is drie minuten al een begin. Even zitten. Even ademhalen. Even je telefoon wegleggen. Even voelen waar je bent. Even niet doorgaan naar de volgende taak.
Niet omdat alles dan ineens opgelost is.
Maar omdat jij jezelf niet opnieuw overslaat.
Misschien is dat wel waar beter voor jezelf zorgen begint.
Niet bij grote plannen.
Niet bij perfecte rustmomenten.
Niet bij wachten tot je leven eindelijk rustig genoeg is.
Maar bij eerder merken wanneer je jezelf aan het leegtrekken bent.
En dan heel klein kiezen: Ik stop even.
Niet omdat alles klaar is. Maar omdat ik voel dat ik rust nodig heb.
Als je dit herkent, kan mijn e-book je helpen om hier rustiger naar te kijken. Niet met nog meer moeten, maar met herkenning, reflectie en kleine stappen terug naar jezelf.
Je hoeft niet alles ineens anders te doen.
Maar je mag wel leren stoppen voordat je helemaal leeg bent.